“Klooster van Sinte Maria Magdalena van Bethanien”
Op de oudste kaart van Amsterdam, uit 1545, zien wij aan de oostzijde van de stad, direct achter de stadsmuur
langs de Kloveniersburgwal, een rij kloostercomplexen, gewoonlijk bestaande uit vier vleugels rondom een als
tuin aangelegde binnenplaats. Eén daarvan heette ‘Sinte Maria Magdalena van Bethaniën’. Van oorsprong was
het gebouw bestemd voor vrouwen die boete wilden doen voor een losbandig leven, maar die ‘bekeerde
susteren’ maakten al spoedig plaats voor aanzienlijke dames. Het kapittel van de Haagse Hofkapel verleende het
Amsterdamse klooster in 1462 het recht om een eigen kapel te bouwen bediend door een eigen rector of
kapelaan, met een eigen kerkhof. Dat het Bethaniënklooster aanzien genoot in de stad, blijkt uit de taak om
koeien te mesten voor de schuttersmaaltijden. De naam Koestraat herinnert er nog aan. Het stadsbestuur had
omstreeks 1500 bouwgrond nodig, en het Bethaniënklooster had geldgebrek; over het kloosterterrein werden de
Bethaniënstraat en de Koestraat aangelegd. Ook aan de oostzijde kwamen huurwoningen. In 1578 werden alle
kloosters opgeheven en verkaveld.
DE NOORDVLEUGEL
Alleen de noordvleugel van het Bethaniënklooster langs de Barndesteeg is
blijven staan. Dat gebouw heeft verschillende bestemmingen gehad, omstreeks 1970 was er onder meer een
timmerfabriek gevestigd, totdat het wegens bouwvalligheid moest worden ontruimd. De gemeente kocht het
historisch belangrijke restant van het verder verdwenen klooster, in afwachting van een restauratieinitiatief. Dat
kwam van de voor dit doel opgerichte Stichting Bethaniënklooster, die inmiddels is gefuseerd met de Stichting
Jan Pietersz. Huis II, voor de huisvesting van jonge musici.
Het gebouw bestaat uit een overwelfd souterrain, twee verdiepingen die grotendeels zijn samengevoegd tot één
zaal en een kap die enkele woningen bevat. Het souterrain, dat nog zijn 15de-eeuwse gedaante heeft, is
waarschijnlijk gebouwd voor berging, daarboven kwam dan het refectorium of de refter, de eetzaal, en op de
tweede lag het dormitorium, de slaapzaal. In 1700 werd de vloer met balklaag van de slaapzaal grotendeels
weggesloopt om een hoge kerkruimte te formeren.
|