Historie
Klooster van Sinte Maria Magdalena van Bethanien
Op de oudste kaart van Amsterdam, uit 1545, zien wij aan de oostzijde van de stad, direct achter de stadsmuur langs de Kloveniersburgwal, een rij kloostercomplexen, gewoonlijk bestaande uit vier vleugels rondom een als tuin aangelegde binnenplaats. Eén daarvan heette ‘Sinte Maria Magdalena van Bethaniën’ en nam het terrein in tussen de Bloedstraat, de Oudezijds Achterburgwal, de Oude Hoogstraat en de Kloveniersburgwal.
Bekeerde susteren
Maria Magdalena was in Amsterdam zeer geliefd. Zij had volgens het Nieuwe Testament in haar leven de daad bij het woord gevoegd en haar losbandige levenswandel opgegeven voor een vroom leven. Naar haar voorbeeld stichtten Arent Moey en Weyn Pieter Ghijbertsdochter omstreeks 1450 een speciaal klooster voor vrouwen die hun zondige leven vaarwel hadden gezegd, Het Bethaniënklooster. De zusters leefden volgens de strenge regel van Augustinus. Deze 'bekeerde susteren' maakten al spoedig plaats voor boetelingen uit de betere kringen. In 1462 verleende het kapittel van de Haagse Hofkapel het Amsterdamse klooster toestemming voor de bouw van een kerk op het terrein, bediend door een eigen rector of kapelaan, met een eigen kerkhof. Het klooster werd in korte tijd populair bij de Amsterdamse vrouwen en al spoedig zat het vol met rijke nonnen en proveniersters, een bewoning van rond de 220 in totaal (1462). De zusters hielden zich onder meer bezig met vetweiderij en leverden bijvoorbeeld de ossen voor schuttersmaaltijden.
Geldgebrek
Al in het begin van de 16de eeuw raakte het klooster in verval. Het stadsbestuur van het buitengewoon florerende Amsterdam had dringend grond voor nieuwe bebouwing en huisvesting nodig en het Bethaniënklooster had geldgebrek. Het terrein viel in 1506 uiteen door de aanleg van de Bethaniënstraat. In 1525 werd de Koestraat gerooid waardoor de kerk aan een openbare straat kwam te liggen. In 1535 werd nog een stuk grond aan de stad verkocht. Aan de straten werden woonhuizen gebouwd. Ook aan de oostzijde kwamen huurwoningen.
Alteratie
Na de Alteratie van 1578, waarbij de stad overging van Rooms Katholiek naar Protestant, werd het kloosterterrein onteigend en in 1585 werd de orde opgeheven. Van het klooster bleef toen alleen nog een restant over tussen de Barndesteeg en de Koestraat. De hoofdingang was aan de Oudezijds Achterburgwal, waaraan het poortje in nummer 117 en de daarachter gelegen Hoogkamersgang nog herinnerd. Rechts daarvan lag het 23 meter brede patershuis waarvan in 1553 grote delen verhuurd werden. De 9 overgebleven zusters vonden onderkomen in Begijnenhof of achter het Clarissenklooster en in 1609 was de laatste verdwenen of overleden.
Koestraat
De naam Koestraat herinnert nog aan het vee dat door de zusters werd gehouden op het terrein van het klooster. Een tijdlang was er een herberg in de kerk aan de Koestraat gevestigd totdat in 1736 de toenmalige eigenaar zijn helft liet afbreken om er drie huizen te laten bouwen. De rest werd in delen verkocht. Dat de Koestraat, in een Joodse buurt en bij de Nieuwmarkt, een levendige straat was ligt voor de hand. De markt op de Nieuwmarkt beperkte zich niet tot dat plein en het plein werd ook onderverdeeld. Zo stond bij de verkoop "soort bij soort". Op de gracht tussen de Koestraat en de Barndesteeg werden door tuinders van de geestgronden rond Hillegom geneeskrachtige kruiden verkocht. Deze handel leidde onder andere tot de kruidenzaak van Jacob Hooy, nog altijd gevestigd aan de Kloveniersburgwal 12. De handel was door het uitsluiten van de Joodse bevolking bij het lidmaatschap van de gilden een van de beroepen waar men vaak in terecht kwam.
Barndesteeg
Aan de Barndesteeg lag een gebouw waarin de keuken, de refter (eetzaal) en twee spinkamers met op de bovenverdieping de slaapzaal waren gevestigd. In 1700 werd de vloer met balklaag van de slaapzaal grotendeels weggesloopt om een hoge kerkruimte te formeren. In de ene helft van het klooster kwam de schilderuitvinder Jan van der Heyden te wonen, de in 1637 in Gorinchem geboren glazenier, spiegelfabrikant en kunstschilder, die de uitvinder van de brandspuit is. Hij woonde er niet alleen, hij had er ook zijn brandspuitenfabriek. Jan van der Heijden overleed in 1712.
In de andere helft woonde kunstschilder Johannes van der Capelle. Op een van de erven heeft stadsorganist J.P. Sweelinck nog gewoond. In 1592 werd een deel van het gebouw verkocht aan de kooplieden Marcus de Vogelaer en Leenaert Raye die het gebouw splitsten en in de blinde muur aan de Barndesteeg enkele ramen maakten en twee stoepen aanbrachten. Deze 16de eeuwse stoepen zijn nog steeds aanwezig (boven één toeganspoort prijkt het wapen van De Vogelaer). Het huis van De Vogelaer, De Oyevaer genoemd, kreeg daarna nog enkele herbestemmingen: eerst als herberg en in 1705 als schuilkerk voor de oud-katholieken. De laatsten bleven er tot 1914 en vervolgens verhuisden zij met medeneming van de gevelsteen De Oyevaer naar de Ruysdaelstraat.
Latijnse school
Het belangrijkste deel van het klooster was de kapel of kerk aan de Koestraat. In het schip werd in 1594 de Latijnse School gevestigd. Vanouds is dit een kerkelijke school geweest, waar jongens voor de koordienst werden opgeleid. In een privilege van 1342 werd de school reeds genoemd. Toen na 1408 bij de bouw van de Nieuwe Kerk de stad in twee parochies werd verdeeld kwam er een tweede school bij. De school aan de Oude Zijde van de stad was gevestigd in de Koestraat en die van de Nieuwe Zijde in de Gravenstraat.
Van Latijnse school tot Barlaeusgymnasium
In 1666 werd de school uit de Gravenstraat overgebracht naar het leeggekomen Aalmoezeniersweeshuis aan het Singel, tussen Heiligeweg en Kalverstraat. In 1678 werd de Latijnse School samengevoegd zodat er een grote instelling ontstond. In 1847 kreeg de instelling de status van gymnasium. In 1885 verhuisde het gymnasium naar het door W. Springer gebouwde nieuwe monumentale schoolgebouw aan de Weteringschans, het huidige Barlaeusgymnasium.
De Noordvleugel
Op enkele muurdelen na in de voormalige Huidenvetterssloot is alleen de noordvleugel van het Bethaniënklooster langs de Barndesteeg blijven staan. Dat gebouw heeft verschillende bestemmingen gehad, omstreeks 1970 was er onder meer een timmerfabriek gevestigd, totdat het wegens bouwvalligheid moest worden ontruimd. De gemeente kocht het historisch belangrijke restant van het verder verdwenen klooster, in afwachting van een restauratie-initiatief.
Het was Geurt Brinkgreve (1916-2005) van de stichting Diogenes en de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad die het pand geschikt achtte als onderkomen voor muziekstudenten. De Stichting Bethaniënklooster werd opgericht om dit doel te verwezenlijken. Van 1986 tot 1989 werd er gewerkt aan de restauratie van het klooster. In de nok kwamen tien kamers voor studenten van het Sweelinck Conservatorium, het huidige Conservatorium van Amsterdam. Het middengedeelte, oorspronkelijk de eetzaal, samengevoegd met de daarboven gelegen slaapzaal van de nonnen werd de huidige concertzaal. Het daaronder gelegen souterrain heeft grotendeels zijn 15e eeuwse gedaante met kruisgewelven behouden. De restauratie van Het Bethaniënklooster was het laatste grote project dat Geurt Brinkgreve leidde.
Wie zich nog herinnert hoe de Bethaniënbuurt er 40 jaar geleden uitzag, vol lege terreinen, onderstukken en uitgewoonde panden, kan constateren dat dit kleine stukje binnenstad weer tot leven is gekomen, dankzij het geduldige kleinschalige herstelwerk.
Inmiddels is het beheer van het klooster in handen van de Stichting Jan Pietersz. Huis II.
Tijdlijn
De geschiedenis van het Bethaniënklooster in vogelvlucht
- 1998 - Heden Concertpodium
- 1986 - 1989 Restauratie
- 1970 Timmerfabriek
- ...
- 1705 - 1914 Schuilkerk
- 1736 gedeeltelijke sloop tbv woonhuizen
- 1594 Latijnse school
- 1592 Woonhuis De Vogelaer
- 1585 Opheffing orde
- 1578 Alteratie, klooster onteigend
- 1535 Verkoop deel grond
- 1525 Aanleg Koestraat
- 1506 Aanleg Bethaniënstraat
- 1462 Bouw kerk
- ±1450 Bethaniënklooster gebouwd